Geloven in de kapitaalmarkt


Ik heb in lange tijd niet zo’n merkwaardige redenering gehoord als die ik laatst hoorde. Het ging over duurzaam financieren en de redenatie kwam erop neer dat uitsluiting van bepaalde beleggingen niet zou bijdragen aan duurzaamheid.

Nu kun je mij van alles vertellen, maar dit zeker niet. Ik geloof beslist dat de wereld duurzamer moet worden. En praten met bedrijven kan helpen om ze daartoe te bewegen. Maar uiteindelijk is het ultieme drukmiddel op bedrijven die niet duurzaam genoeg zijn om er niet in te beleggen. Dat is geloven in marktwerking.

Dubieuze logica

De redenatie waar ik het over heb gaat als volgt: duurzaam investeren wordt vaak vormgegeven door het uitsluiten van niet-duurzame bedrijven. Uitsluiting zorgt er echter voor dat beleggers niet meer aan tafel zitten bij deze bedrijven, waardoor ze geen invloed meer hebben. De enige beleggers die dan nog wel aandelen van zo’n bedrijf hebben, bekommeren zich in de meeste gevallen niet om duurzaamheidszaken, waardoor bedrijven zelfs nog vervuilender te werk kunnen gaan. En dus zou uitsluiting van bedrijven niet duurzaam zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld gewezen worden op Shell, dat onder druk van beleggers klimaatdoelstellingen als prestatie-indicatoren voor de top heeft opgenomen.

Toch is het ‘aan tafel zitten’ niet altijd wenselijk. Zeker  als het niet snel genoeg gaat dan is er een grens. Shell gaat die grens al lang over. Vergelijk het bijvoorbeeld met automobilisten die een zware verkeersovertreding maken. Volgens bovenstaande redenering zouden die automobilisten geen rij-ontzegging moeten krijgen omdat ze dan niet kunnen bewijzen dat ze beter gaan rijden. Sterker nog, ze zouden op de fiets wellicht nog gevaarlijker zijn. U vat hem: deze redenatie rammelt. En niet zo’n beetje ook.

Twee denkfouten

Wat mij betreft zitten er twee denkfouten in deze redenering: een economische en een morele.

Om maar te beginnen met de morele denkfout: als iets niet-duurzaam is, moet daar ook een ultieme consequentie aan worden verbonden. Het meest makkelijke voorbeeld is klimaat. We hebben met z’n allen afgesproken dat we willen dat de uitstoot van broeikasgassen omlaag gaat. Dat betekent bijvoorbeeld dat het gebruik van fossiele brandstoffen fors moet worden afgebouwd.

Aan tafel zitten en in dialoog gaan met een bedrijf is dan alleen zinvol als er sprake is van daadwerkelijk uitzicht op een transitie: bijvoorbeeld een olieproducent die op geloofwaardige manier bezig is te transformeren tot een hernieuwbaar energiebedrijf. Als dat, na jaren van dialoog, niet op een geloofwaardige manier gebeurt en het bedrijf dus ook niet bijdraagt aan onze gezamenlijke Parijsdoelstellingen dan rest niets anders dan niet meer beleggen in dat bedrijf. Anders is het voeren van een dialoog niets anders dan een schaamlap voor niet-duurzaam beleggen.

De economische denkfout zit ‘m erin dat (massale) uitsluiting er uiteindelijk natuurlijk toe leidt dat de kapitaalkosten van een niet-duurzaam bedrijf omhoog gaan. En hogere kapitaalkosten maken een bedrijf minder winstgevend, waardoor duurzamere bedrijven een grotere kans hebben om markten te veroveren. Dit lijkt me toch een simpel economisch inzicht en dat is natuurlijk het ultieme instrument van de belegger.

Geloof

Ik geloof in de werking van de kapitaalmarkt. Dat door kapitaal op de juiste manier aan te wenden de wereld duurzamer kan worden. Ik weet heus dat er nog heel veel moet gebeuren, maar met zo’n drogredenering aankomen om bij niet-duurzame partijen aan tafel te kunnen blijven zitten, getuigt bepaald niet van serieus willen bijdragen aan een duurzame wereld.

Hans Stegeman is econoom en werkt bij Triodos Investment Management.