Einde van Goudlokje


De beurscorrectie van afgelopen week konden we natuurlijk van mijlenver aan zien komen. De historisch gezien hoge waarderingen, de risicovolle beleggingen – bijvoorbeeld de digitale munten waar Nederlanders toch vrij massaal te laat zijn ingestapt - en de ongekend lange marktrit omhoog vanaf maart 2009.

Dat moest een keertje leiden tot een correctie. En vaak maakt het niet zo heel veel uit wat de oorzaak is – een macrocijfer of opzienbarende politieke ontwikkeling - van die correctie. 

Maar deze keer is het wel een bijzondere: eindelijk viel de loonstijging voor de gemiddelde Amerikaan wat hoger uit dan verwacht. En in plaats van blij te zijn met een normalere economische ontwikkeling maakten beleggers zich alleen maar zorgen over een mogelijk sneller oplopende rente. Het einde van de zogenoemde Goudlokje-economie met goede groeicijfers en lage inflatie. Wat een kortzichtigheid!

Ook een gezonde aandelenmarkt heeft namelijk een goede verhouding tussen arbeid en kapitaal nodig. Eerlijk delen is ook in economisch verband een heel gezond principe. Als Goudlokje de gemiddelde burger is, dan profiteert zij nauwelijks van het naar haar genoemde scenario. Maar dat blijkt voor veel beleggers toch maar lastig te begrijpen.

Achterblijvende lonen

Dat lonen achter zijn gebleven is geen typisch Amerikaans fenomeen. In Nederland kunnen we er ook wat van; hier is het gemiddelde huishouden er ook al in geen jaren echt op vooruit gaat. Er zijn meerdere verklaringen voor deze trage loonontwikkelingen, waarbij onduidelijk is hoe belangrijk ze zijn: technologische vooruitgang, globalisering, minder macht voor werknemers en structureel lagere productiviteit.

Technologische vooruitgang zorgt ervoor dat sommige vaardigheden van mensen niet meer nodig zijn. Of dat mensen helemaal niet meer nodig zijn. Over de grootte van de effecten zijn economen nog behoorlijk verdeeld. Maar dat de arbeidsmarkt steeds meer een plek is waar het spelletje stoelendansen wordt gespeeld is duidelijk. Weliswaar wordt niet telkens de hele stoel weggetrokken, zoals op kinderfeestjes, maar aan de poten wordt wel degelijk gezaagd. En dan ben je blij dat je een plekje hebt en blijf je stil zitten omdat de stoel wiebelt. Over meer loon ga je dan zeker niet beginnen.

Globalisering blijft een belangrijke kracht. Beursgenoteerde bedrijven werken vaak in internationale waardeketens. De activiteiten vinden daar plaats waar de belasting en de lonen het laagst zijn en de grondstoffen het goedkoopst. Voor bepaalde groepen werknemers, vooral lagergeschoolden, leidt dit zeker tot minder ruimte voor loonstijgingen.

Wetgeving heeft in veel landen de ‘macht van de arbeid’ zeker niet vergroot. Wetgeving gericht op een flexibelere arbeidsmarkt is wellicht goed voor ‘de markt’ maar lang niet altijd voor de individuele werknemer. Voorstanders van ’flexibilisering van de arbeidsmarkt' wijzen erop dat door marktwerking de koek wordt vergroot, waardoor meer mensen een baan krijgen. Maar dat is slechts een deel van het verhaal: die werknemer krijgt wel te maken met meer onzekerheid en een slechtere onderhandelingspositie. En dus een lager loonaandeel.

Een laatste reden voor achterblijvende lonen is achterblijvende productiviteit. Na de financiële crisis is de arbeidsproductiviteit in veel landen laag. Eerst zagen veel bedrijven geen reden om te investeren in productiviteitsverhogende maatregelen. Ook is het zo dat een deel van die productiviteit, bijvoorbeeld als gevolg van datagebruik en ICT-toepassingen, niet terug te vinden is in de macrostatistieken. In normale omstandigheden gaat de loonontwikkeling gelijk op met de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit. Een reden nu dus voor lagere loonstijgingen.

Pap van de beren

Die arme Goudlokje. Het sprookje werd door beleggers vooral aangeduid om het gunstige economische klimaat aan te duiden: relatief hoge groei (niet te weinig!) en gematigde inflatie (maar niet te laag!). Beleggers en bedrijven waren blij met de hoge groei- en winstcijfers. De gemiddelde burger profiteerde daar slechts zeer beperkt van mee. Om toch te kunnen blijven consumeren wordt net zo weinig gespaard als vlak voor de crisis en zijn we op een nieuw dieptepunt in besparingen aanbeland. Geen wonder dus dat Goudlokje stiekem aan de pap van de beren is begonnen (als u het sprookje nog kent).

Maar goed, het lijkt erop dat ze nu weer wat meer gaat verdienen. De structurele wijzigingen die de achterblijvende lonen verklaren, vinden eindelijk ergens een bodem: de werkloosheid is nu zo laag dat werkgevers wel een hoger lonen moeten gaan betalen om mensen in dienst te krijgen.

Verantwoordelijkheid van beleggers

De grote vraag is hoe dit spel verder gaat. De hierboven genoemde redenen voor de achterblijvende lonen zijn deels duidelijk het gevolg van handelen van bedrijven. In plaats van te investeren in productiviteit zijn veel bedrijven vooral bezig geweest hun eigen aandelen in te kopen en zo de beurskoersen een duwtje omhoog te geven.

In plaats van zich te richten op een fatsoenlijk loon zijn veel bedrijven vooral bezig met efficiency en kostenbesparing. Niets mis mee, maar daar zit een grens aan. En wellicht is dat naïef van me, maar ik geloof dat bedrijven een eigen verantwoordelijkheid hebben in het betalen van een fatsoenlijk loon. Niet alleen in opkomende landen als het gaat over een loon waar een gezin van kan leven, zonder dat iedereen moet werken, maar ook gewoon in landen als de Verenigde Staten. Zodat mensen aan de onderkant van de samenleving niet dag en nacht hoeven te werken om rond te komen.

Als bedrijven hun verantwoordelijkheid hierin nemen, zal de inflatie inderdaad gaan stijgen. En daarna de rente. En zullen de beurskoersen verder normaliseren. Klopt allemaal, maar we hebben dan wel een gezondere economische situatie. Zo moeilijk is dat niet te bedenken. Alleen om daar te komen…

Hans Stegeman is econoom en werkt bij Triodos Investment Management.